De geschiedenis van islam

Nur ad-Din Zengi, de Rechtvaardige Heerser

Niet-moslims willen niet dat de Moslims over hen zullen zegevieren en doen er alles aan om te voorkomen dat de Islam expandeert. Dit is niet iets wat nieuw is, maar speelt al meerdere eeuwen. Nadat Umar (ra) Jeruzalem (Palestina) zonder ook maar één bloeddruppel te vergieten, had geopend, begonnen de Christenen meerdere plannen te beramen om Jeruzalem te veroveren. Deze plannen werden ten uitvoer gebracht en werden kruistochten genoemd. Deze kruistochten vonden plaats tussen 1096 en 1271 n. Chr. Het was een laat antwoord op de Islamitische openingen in de voorafgaande eeuwen. Sultan Alparslan had in de Slag bij Manzikert in 1071 een hele grote klap uitgedeeld aan de Byzantijnen. De kruistochten waren niet enkel om Jeruzalem te veroveren, maar tegelijkertijd ook het bijstaan van het Byzantijnse leger tegen de Seltsjoeken en het voorkomen van een verdere expansie van de Moslims. In dit artikel zullen we niet uitgebreid de verscheidene slagen van Nur ad-Din Zengi tegen de kruisvaarders behandelen. Dat zijn er immers te veel. Men zegt dat hij meer dan 50 steden heeft veroverd van de christenen. En dit in een tijdspanne van ongeveer 30 jaar. Derhalve zullen we een aantal fragmenten uit diens leven uiteenzetten, opdat we kunnen zien wat voor een leider, generaal en geleerde hij was. Dit artikel is niet bedoeld als geromantiseerd verhaaltje waar we vervolgens niets mee doen. Integendeel, wij dienen te zien wat onze voorgangers hebben betekend voor de Islam en wat de kracht van deze ideologie teweeg heeft gebracht in de Moslimlanden. Nota bene, dezelfde Moslimlanden die heden ten dage de facto worden bezet door de Westerse mogendheden.

Dit artikel is niet bedoeld als geromantiseerd verhaal waar we vervolgens niets mee doen.

Nur ad-Din Mahmud Zengi had drie politieke doelen. Diens eerste doel was het elimineren van de kruisvaardersstaten die zich langs de Syrische kust en het Sinaï-schiereiland bevonden. Ten tweede, een einde maken aan de Fatimiden-staat in Egypte en de islamitische wereld onder de Abbasidische khalifah verenigen. Zijn laatste doel was om Constantinopel te veroveren. Hij bereikte de tweede van deze drie doelen, welke hij uiteenzette in een brief aan de Abbasidische khalifah, en hoewel hij de kruisvaardersstaten niet volledig kon elimineren, bereidde hij de basis voor de bevrijding van Jeruzalem. Omdat hij geloofde dat Jeruzalem veroverd zou worden, liet hij een houten minbar (preekstoel) bouwen met een hoge artistieke waarde in Aleppo om in de Masjid al-Aqsa te plaatsen. De minbar die Salahuddin Ayyubi in de Masjid al-Aqsa had geplaatst toen hij Jeruzalem veroverde, werd in 1969 door een jood verbrand.

Eenheid

Na de dood van zijn vader Imad ad-Din Zengi, die eveneens meerdere oorlogen had gevoerd tegen de christenen, werd het land in 1146 verdeeld tussen Nur ad-Din Zengi en Sayf ad-Din Ghazi, beide zoons van Imad ad-Din. Nur ad-Din regeerde over Aleppo en Sayf ad-Din over Mosul. De grootste droom van Nur ad-Din was om de hegemonie van de kruisvaarders in Jeruzalem te beëindigen. Hij had zich echter, dankzij zijn vader, gerealiseerd dat de unificatie van de Moslims de onmisbare voorwaarde was voor het uiteindelijke succes van deze strijd.

Nur ad-Din besefte dus heel goed dat het onmogelijk was om de kruisvaarders te verdrijven, terwijl de moslims waren verdeeld in meerdere staten. Deze gedachte behoeft geen verdere uitleg. Echter, deze gedachte dient wel belletjes bij ons te laten rinkelen. Immers, moslims zijn vandaag de dag verdeeld over meer dan 50 landen. Landen, waarvan de grenzen in het Sykes-Picotverdrag in 1916 zijn bepaald. Deze grenzen hebben de Moslims verder de duisternis in geduwd. Men begon een vooroordeel te hebben over zijn Moslimbroeders, alleen vanwege het feit dat hij een andere etniciteit heeft. Deze verdeel-en-heers tactiek dient te worden aangemerkt als een nieuwe vorm van kruistochten. Tegenwoordig ligt de nadruk niet meer op de fysieke strijd, maar meer op de politieke strijd die wordt gevoerd in de landen van de Moslims. De Moslims dienen te verenigen en ervoor te zorgen dat de neo-kruisvaarders onze landen met rust laten en verlaten. Dit doel kan enkel en alleen bewerkstelligd worden door de wederoprichting van de Khilafah.  

“De Moslims dienen te verenigen en ervoor te zorgen dat de neo-kruisvaarders onze landen met rust laten en verlaten. Dit doel kan enkel en alleen bewerkstelligd worden door de wederoprichting van de Khilafah.”

Paus Urbanus II hield op 27 november 1095 in de Franse plaats Clermont een fel anti-Islamitisch betoog door de christenen op te roepen wraak te nemen en Jeruzalem te bevrijden. De paus beloofde de deelnemers een aflaat, een verklaring die alle zonden vergaf en garantie bood op het eeuwige leven. Nadien begonnen de kruistochten en duurden deze nog eeuwen.

Dankzij zijn inspanningen verenigden Aleppo en Damascus zich voor het eerst tijdens de kruistochten onder één enkele heerschappij. Daarna breidde Nur ad-Din zijn soevereiniteit uit naar Egypte en bestreed hij de kruisvaarders uit het oosten en westen. Nur ad-Din Zengi was één van de personen die een grote bijdrage had geleverd aan de herovering van Jeruzalem door Salahuddin Ayyubi. Hij had namelijk de fundamenten gelegd voor de herovering door een meedogenloze strijd te voeren tegen de christenen. Hiermee had hij de kruisvaarders ernstig verzwakt.

Rechtvaardigheid

Hij werd de rechtvaardige heerser genoemd. Dit was niet zonder reden. Ibn al-Athir zegt zelfs: “Ik heb de moraal en levenswijze van eerdere heersers bestudeerd. Met uitzondering van de vier khaliefen en Umar ibn Abd al-Aziz, heb ik nog nooit iemand gezien met een hogere moraal dan hij, of iemand die naar meer rechtvaardigheid streefde dan hij.” [Ibn al-Athir, Al-Kamil fi al-Tarikh, XI, 323]

De bekendheid van Nur al-Din met betrekking tot zijn rechtvaardigheidsgevoel werd zelfs gewaardeerd door diens christelijke buren. Een buitenlander die tijdens het bewind van Nur ad-Din Damascus bezocht, besloot in Damascus te gaan wonen als gevolg van het rechtssysteem dat hij daar waarnam. Toen Salahuddin na de dood van Nur ad-Din Damascus veroverde, deed één van zijn soldaten deze vreemdeling pijn. Daarop kwam de man naar Salahuddin om te klagen over de behandeling die hij had ondergaan. Echter, vanwege omstandigheden kon noch Salahuddin noch iemand anders zijn klacht in behandeling nemen. De man ging huilend naar het kasteel van Damascus met een grote menigte achter hem aan en marcheerde schreeuwend naar de begraafplaats van Nur ad-Din. Na het nieuws te hebben gehoord, riep Salahuddin de man bij zich en verzoende hem door zijn probleem op te lossen. De man begon echter nog harder te huilen dan ooit. Toen Salahuddin vroeg waarom hij nog steeds huilde, antwoordde de man: “Ik huil om de sultan die zelfs na zijn dood gerechtigheid over ons brengt“. Salahuddin zei: “Dat is goed gezegd. We hebben van hem alles geleerd over gerechtigheid.” Hiermee liet Salahuddin zien dat hij ook in deze context het gedrag van Nur ad-Din volgde en in zijn voetsporen trad. [Ibn al-Athir, Tarikh al-Bahir, p. 304]

Ik heb de moraal en levenswijze van eerdere heersers bestudeerd. Met uitzondering van de vier khaliefen en Umar ibn Abd al-Aziz, heb ik nog nooit iemand gezien met een hogere moraal dan hij, of iemand die naar meer rechtvaardigheid streefde dan hij.

Nur ad-Din was een man met goede bedoelingen. Er was een man op het eiland die zich onderscheidde door zijn toewijding en vroomheid. Nur ad-Din consulteerde hem en vroeg regelmatig om zijn mening. Op een dag kreeg de man te horen dat Nur ad-Din dol was op het spelen van chawgan (polo). Hij schreef hem: “Ik wist niet dat je polo speelde en de paarden doelloos en zonder religieuze noodzaak martelde.” Nur ad-Din schreef terug. “Bij Allah, ik speel geen polo voor louter sport en roekeloosheid, maar we zijn in een versterkte grensstad en de vijand loert in de buurt en staat klaar om ons te bestrijden. Als de vijand weet dat wij en de paarden rusten, zullen ze ons aanvallen van alle kanten. Ook hebben we niet de mogelijkheid om dag en nacht Jihad te voeren; we moeten wat rusten. Als we de paarden in hun stallen laten, zullen ze zwakker worden en niet meer kunnen racen, soepel draaien of de ruiters op het slagveld gehoorzamen. Bij Allah, daarom speelde ik polo.” [Abu Shamah al-Maqdisi, Kitab ar-Rawdatayn fi Akhbar ad-Dawlatayn, p. 10-11]

Op een dag reed hij paard met één van zijn vrienden. De zon was achter hen, hun schaduwen vóór hen en ze konden hun schaduwen niet bereiken. Toen keerden ze terug en deze keer vielen hun schaduwen achter hen. Nur ad-Din reed met zijn paard en haastte zich. Zijn schaduw volgde hem weer. Hij zei tegen zijn vriend: “Weet je hoe onze situatie is? Deze situatie is net als ons wereldse leven. De wereld ontsnapt aan iedereen die ernaar streeft. Maar wie van de wereld ontsnapt, wordt door de wereld achtervolgd”. [Ibn Kathir, Al-Bidayah wa’l Nihayah, XII, 495]

Nur ad-Din voorzag in zijn voedsel, kleding en andere behoeften alleen met het inkomen van zijn eigen bezit. Hij spaarde voor zichzelf geen deel van de verkregen buit en nam niets voor zichzelf van de Bayt ul-Mal. Toen zijn vrouw klaagde over hun problemen, gaf hij haar drie winkels in Homs. Hiermee verdiende hij ongeveer twintig dinar per jaar. Toen zijn vrouw dit weinig vond, zei hij: “Ik heb geen geld behalve dit. Al mijn bezittingen zijn het recht van moslims. Ik ben in dit opzicht de penningmeester van de Moslims en ik zal ze nooit verraden. Door jou kan ik mezelf niet in de hel werpen”.

Weet je hoe onze situatie is? Deze situatie is net als ons wereldse leven. De wereld ontsnapt aan iedereen die ernaar streeft. Maar wie van de wereld ontsnapt, wordt door de wereld achtervolgd

Hij respecteerde de sharia en handelde conform de regels ervan. Een persoon daagde hem voor de rechtbank en hij ging met hem naar de rechtbank. Hij stuurde een bericht naar qadi Kamal ad-Din en zei: “Ik ben gekomen als gedaagde, behandel mij zoals u de gedaagden behandelt. Aan het einde van het proces had Nur ad-Din gelijk gekregen en schonk hij zijn recht aan de persoon die hem voor de rechtbank daagde en zei: ‘Ik wilde hem geven wat hij claimde en vervolgens weggaan. Echter, ik was bang dat dit me tot trots en arrogantie zou leiden en mij ervan zou weerhouden naar de rechtbank te gaan. Daarna gaf ik hem wat hij claimde.“. Hij bouwde gerechtsgebouwen in zijn land. Hij kwam hier met de opperrechter om de rechten van de onderdrukten van de onderdrukker te nemen, of het nu een Jood betrof, zijn eigen zoon of zijn grootse gouverneur. [Ibn al-Athir, Al-Kamil fi al-Tarikh, XI, 323]

Geen enkele emier was in staat om in zijn aanwezigheid te gaan zitten zonder toestemming te vragen, behalve Najm ad-Din Ayyub, de vader van Salahuddin Ayyubi. De andere emiers, zoals Asad ad-Din Shirkuh en Majd ad-Din ibn ad-Dayah bleven staan totdat hij hen vroeg om te gaan zitten. Verrassend genoeg stond hij wel op als een geleerde of een arme man binnenkwam. Wat het laatste betreft, hij bracht hem altijd dichter bij zijn zitplaats en behandelde hem vriendelijk. Elke keer als hij iets uit de schatkist gaf, zei hij. ‘Die mensen hebben recht op de schatkist. Als ze tevreden zijn met het weinige dat we geven, zullen we ze dankbaar zijn.

Hij was een geduldige persoon in de strijd. Dat voorbeeld wordt in dit verband getoond. Hij zei: “Ik heb mezelf herhaaldelijk naar voren geduwd in de oorlog om een ​​martelaar te zijn, maar het is niet gebeurd. Als ik iets goeds in me had en als ik een waardevol persoon was in de ogen van Allah (swt), dan zou Allah (swt) me het martelaarschap hebben gegeven. Daden zijn in overeenstemming met de bedoelingen.” Op een dag zei imam Qutb ad-Din an-Naysaburi tegen hem: In godsnaam, o onze Sultan, breng jezelf niet in gevaar. Als je wordt vermoord, zal iedereen in je entourage worden vermoord. Het land zal worden veroverd. De situatie van moslims zal verslechteren.” Nur ad-Din Zengi zei: Stil, o Qutb ad-Din! Deze woorden van jou zijn onbeschoft jegens Allah. Wie is Nur ad-Din? Er is Eén die de Islam en haar landen vóór mij heeft gered: het is de Almachtige en er is geen God behalve Hij. Wie is Nur ad-Din?!” Na deze woorden huilde iedereen die aanwezig was in zijn raad. [Ibn Kathir, Al-Bidayah wa’l Nihayah, XII, 497]

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back to top button